Une "société de médecins" acquiert un usufruit. Le Tribunal de Ière Instance de Bruges rejette la déduction des frais y relatifs sur base de ce qui est désormais un grand classique, contestable mais incontournable néanmoins.

En effet l'objet social de cette société de médecins est "het uitoefenen van de geneeskunde door de geneesheer-vennoot op het gebied van radiologie, dit door de enige vennoot-geneesheer, rekening houdend met de Medische Plichtenleer. De geneeskunde wordt uitgeoefend in naam en voor rekening van de vennootschap ... Om deze doelstellingen te kunnen verwezenlijken, mag de vennootschap alle onroerende en roerende verrichtingen uitvoeren, zoals onder andere het beheer en de exploitatie van onroerende goederen, die ze mag aankopen, bouwen, verbouwen, huren en verhuren". Cette phraséologie nous est bien connue et malheureusement encore fort présente dans l'esprit de la majorité des notaires, conseils et autres experts qui assistent le client.

Le Tribunal estime que dés lors que les frais relatifs à l'acquisition de l'usufruit ne sont pas effectués dans le contexte de l'objet social qui est " "het uitoefenen van de geneeskunde door de geneesheer-vennoot op het gebied van radiologie, dit door de enige vennoot-geneesheer, rekening houdend met de Medische Plichtenleer"  , ils ne peuvent être déduits sur base de l'article 49 CIR 1992 : "Uit de omstandigheden dat een vennootschap een rechtspersoon is, opgericht met het oog op een winstgevende activiteit, volgt niet automatisch dat al haar uitgaven afgetrokken kunnen worden van haar brutowinst. Uitgaven van een vennootschap kunnen worden aangemerkt als aftrekbare beroepskosten, wanneer zij inherent zijn aan de uitoefening van het beroep, dit wil zeggen wanneer ze in noodzakelijk verband staan met de maatschappelijke activiteit van de vennootschap (Cass., 12 december 2003, F.J.F., 2004/131)". "Aangezien het oorzakelijk verband tussen enerzijds de aankoop van het vruchtgebruik van het onroerend goed en anderzijds het medisch doel van eiseres niet bewezen is, mogen de kosten niet worden afgetrokken op basis van artikel 49 WIB 1992"

Quant à la nécessité d'effectuer des dépenses en conformité avec l'objet social stricto sensu voir aussi et notamment les arrêts du 9 novembre 2007 et 19 juin 2003 de la Cour de Cassation.

Notons aussi le rejet surprenant par le Tribunal de l'application de l'article 26 C.I.R. 1992 sur base de considérations plus émotives que juridiques : "Wanneer het standpunt van de voorrang van artikel 26 WIB 1992 op artikel 49 WIB 1992 zou worden gevolgd, zou dit betekenen dat in principe elke kost aftrekbaar is, voor zover deze bij de verkrijger een belastbaar inkomen uitmaakt. Gezien dit in de meeste gevallen zo is, zou dit impliceren dat artikel 49 WIB 1992 in veel gevallen niet meer dan een dode letter is. De aftrekbaarheid van de kosten kan hier dan ook niet worden bekomen op grond van artikel 26 WIB 1992".

Conclusion
A ce jour se lancer dans des schémas d'usufruit sans prêter attention à l'objet social me semble relever de la faute professionnelle.


Stephen G Hürner
Conseil fiscal.

Décharge de responsabilité: aucun lecteur ne peut agir sur base des informations contenues sur ce site sans prendre l'avis d'un tiers professionnel.