Zesde fiscale kamer

 


Nr. van de zaak: 2006/AR/1315

 


Openbare terechtzitting van 10-10-2007

 

 

 

 


IN ZAKE VAN:

 

 

 

 


DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector directe belastingen, in de persoon van de heer gewestelijke directeur van Leuven, met kantoor te ...,

 

 

 

 


appellant,

 

 

 

 


vertegenwoordigd door Meester H., loco P. D., advocaat te ...,

 

 

 

 


TEGEN:

 

 

 

 


1. De heer C. L.,
2. Mevrouw M. V.D.K., wonende te ...,

 

 

 

 


geïntimeerden,

 

 

 

 


vertegenwoordigd door Meester T. L., advocaat te ...,

 

 

 

 


I. De feiten

 

 

 

 


Eerste geïntimeerde werd in België tewerkgesteld sinds 1 oktober 1989.

 

 

 

 


Op 29 oktober 1992 werd hij bij beslissing van de directeur buitenland erkend als buitenlands kaderlid vanaf het jaar 1989 voor zijn functie als afgevaardigd bestuurder van de NV F. .

 

 

 

 


Op 31 juli 1992 nam eerste geïntimeerde ontslag. Hij bleef wel met zijn gezin in België wonen.

 

 

 

 


Op 1 juli 1993 trad eerste geïntimeerde in dienst van de NV D. I. en op 5 juli 1993 werd hij benoemd tot afgevaardigd bestuurder van deze vennootschap.

 

 

 

 


Op 8 maart 1994 diende de NV D. I. een aanvraag in tot verlenging van het bijzonder aanslagstelsel voor buitenlandse kaderleden.

 

 

 

 


Op 11 oktober 1994 en op 17 oktober 1995 werd deze aanvraag afgewezen.

 

 

 

 


Voor de aanslagjaren 1994, 1995 en 1996 dienden geïntimeerden niettemin aangiften in de belasting niet-inwoners (B.N.I.) in.

 

 

 

 


Op 20 oktober 1995, 8 november 1995 en 15 maart 1996 ontvingen geïntimeerden voor de aanslagjaren 1994, 1995 en 1996 berichten van wijziging, waarin werd gesteld dat de aanslagen in de B.N.I. werden vernietigd en voordelen van alle aard aan de bezoldigingen van bestuurders werden toegevoegd.

 

 

 

 


Geïntimeerden verklaarden zich telkens niet akkoord.

 

 

 

 


Op 1 april 1996 nam eerste geïntimeerde ontslag als bezoldigd gedelegeerd bestuurder van de NV D. I. . Hij bleef wel aan als onbezoldigd gedelegeerd bestuurder tot 31 december 1996, datum waarop zijn ontslag werd aanvaard.

 

 

 

 


Op 4 november 1996, respectievelijk 21 juni 1996 en 20 mei 1997 werden in hoofde van geïntimeerden aanslagen in de P.B. gevestigd voor de aanslagjaren 1994, 1995 en 1996.

 

 

 

 


Op 15 juli 1996, 12 december 1996 en 25 augustus 1997 diende de gevolmachtigde van geïntimeerden bezwaarschriften in tegen deze aanslagen.

 

 

 

 


Op 1 februari 1997 trad eerste geïntimeerde in dienst bij de Nederlandse BV L. .

 

 

 

 


Op 3 april 1997 verkochten geïntimeerden hun woning in België bij akte verleden voor notaris B., die notaris S. verving.
Bij die gelegenheid legde appellant beslag onder derden ingevolge fiscale notificatie en verkreeg hij betaling van de aanslagen in de P.B. voor de aanslagjaren 1994 en 1995.

 

 

 

 


Met ingang van 1 mei 1997 sloot eerste geïntimeerde een huurovereenkomst in Nederland af, terwijl tweede geïntimeerde in België bleef wonen omwille van studies van hun zoon in België.

 

 

 

 


Per 31 december 1997 werd eerste geïntimeerde uitgeschreven uit de registers van de burgerlijke stand in België.

 

 

 

 


Op 7 mei 2002 werd in verband met het kohierartikel betreffende het aanslagjaar 1996, dat als datum 23 mei 1997 vermeldt, voor een totaal bedrag van 17.116,03 EUR door een gerechtsdeurwaarder overgegaan tot betekening van een 'dwangbevel', nu de volledige belastingschuld werd betwist en de belasting niet werd betaald.

 

 

 

 


Op 12 november 2003 werden de bezwaarschriften van geïntimeerden bij directoriale beslissing ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. In deze beslissing werd gesteld dat eerste geïntimeerde vanaf 1 januari 1992 als rijksinwoner diende te worden beschouwd.

 

 

 

 


Op 9 februari 2004 legden geïntimeerden een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

 

 

 

 


Bij het bestreden vonnis van 13 januari 2006 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de vordering van geïntimeerden ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, zegde zij voor recht dat de aanslag voor het aanslagjaar 1996 verjaard was en beval zij de terugbetaling van de op grond van deze aanslag ten onrechte geïnde bedragen, meer de moratoriuminteresten.

 

 

 

 


II. Discussie.

 

 

 

 


A. WAT HET HOOFDBEROEP VAN APPELLANT BETREFT: wat de beweerde verjaring van de aanslag voor het aanslagjaar 1996 betreft

 

 

 

 


......................................................................................................

 

 

 

 


B.    WAT HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP VAN GEINTIMEERDEN BETREFT

 

 

 

 


a)    Wat de belastingschuld voor de aanslagjaren 1994 en 1995 betreft
.......................................................................................................

 

 

 

 


b)    Wat de verlenging van het bijzonder aanslagstelsel voor buitenlandse kaderleden betreft

 

 

 

 


Geïntimeerden menen dat zij als niet-rijksinwoners moeten worden beschouwd zolang niet vaststaat dat zij hun woonplaats of zetel van fortuin in België hebben gevestigd.

 

 

 

 


De verschillende factoren die de tijdelijke aard bepalen van de tewerkstelling in België, zijjnde naar het oordeel van geïntimeerden het criterium om na te gaan dat een buitenlands kaderlid zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin niet in België heeft gevestigd, kunnen hun oorzaak vinden zowel in de persoonlijke toestand van het kaderlid als in de aard zelf van de uitgeoefende functie. Van elk van beide categorieën factoren geven geïntimeerden een aantal elementen.

 

 

 

 


Uit voormelde elementen volgt volgens geïntimeerden dat eerste geïntimeerde wel degelijk als niet-rijksinwoner moet worden beschouwd en bijgevolg het bijzonder aanslagstelsel voor buitenlandse kaderleden moet kunnen genieten.

 

 

 

 


Wel is het zo dat buitenlandse kaderleden die in België van werkgever veranderen overeenkomstig de administratieve commentaar in beginsel van het fiscaal gunstregime worden uitgesloten, maar deze commentaar bindt de belastingplichtige, noch de hoven en rechtbanken. Bovendien menen geïntimeerden dat de factoren die hebben geleid tot de toekenning van het statuut van buitenlands kaderlid aan eerste geïntimeerde niet gewijzigd zijn op het ogenblik van zijn ontslag, noch op het ogenblik van zijn indiensttreding bij de NV D. I. .

 

 

 

 


Uit nr.227/18, 2° van de administratieve commentaar op het W.I.B. 1992 volgt dat een buitenlands kaderlid dat de bijzondere aanslagregeling geniet en dat in België van werk verandert, zijn statuut van niet-rijksinwoner verliest, tenzij het bewijst dat het nog steeds aan de voorwaarden voldoet om aanspraak te kunnen maken op de bijzondere aanslagregeling.

 

 

 

 


Daartoe dient het buitenlands kaderlid, op het ogenblik waarop het, al dan niet vrijwillig, in België zijn betrekking verliest, te kunnen bewijzen dat het op dat ogenblik niet de bedoeling had om zich in België te vestigen. De volgende elementen komen voor dit bewijs in aanmerking:
-    het zoeken naar een betrekking buiten België;
-    voorbereidingen om België te verlaten;
-    voorbereidingen om terug te keren naar het buitenland;
-    bewijzen van de rechtstreekse aanwerving in het buitenland;
-    het tijdelijke en voorlopige karakter van de tewerkstelling die volgt op een rechtstreeks in het buitenland gedane aanwerving (zie: E. D. Laurent en J.-F. Golenvaux, Buitenlandse kaderleden en fiscus, in fiscale Wenken, Diegem, CED-Samson, 1997, 54 e.v.).

 

 

 

 


Ter zake treedt het hof appellant niet bij wanneer hij stelt dat geïntimeerden na de beëindiging van het contract met de NV F. niet de bedoeling hebben gehad om België te verlaten en bijgevolg als rijksinwoners dienen te worden beschouwd.

 

 

 

 


Geïntimeerden benadrukken, zonder daarin te worden tegengesproken door appellant dat op het ogenblik van de toekenning aan eerste geïntimeerde van het statuut van buitenlands kaderlid als afgevaardigd bestuurder van de NV F. de volgende factoren in aanmerking werden genomen:
-    het ter beschikking houden van een woning, meer bepaald in Spanje;
-    het bezit in het buitenland van onroerende goederen, wederom in Spanje;
-    het hebben van een hospitalisatieverzekering in Nederland;
-    de voortzetting van de deelneming aan een groepsverzekering of aan een ander pensioen- of spaarplan in het buitenland;
-    de opname in de huurceel van een "diplomatieke clausule";
-    de kinderen lopen school in de British School of Brussels.

 

 

 

 


Geïntimeerden tonen ten genoege van recht aan dat voormelde factoren, die hebben geleid tot de toekenning van het statuut van buitenlands kaderlid niet gewijzigd zijn op het ogenblik dat eerste geïntimeerde ontslag nam uit voormelde functie, noch op het ogenblik van zijn indiensttreding bij de NV D. I. op 1 juli 1993.

 

 

 

 


Verder blijkt uit de stukken, zoals terecht in de verf werd gezet door de eerste rechter, dat eerste geïntimeerde reeds tijdens zijn tewerkstelling bij de NV F. door de internationale groep B. werd gecontacteerd om hem te overhalen deze groep te vervoegen. Uit de stukken blijkt meer in het bijzonder dat eerste geïntimeerde rechtstreeks in het buitenland werd aangeworven, nu hij door de NV I. B. I. H. met zetel op de Nederlandse Antillen werd aangeworven en hij met deze vennootschap de voorwaarden van zijn tewerkstelling door de NV D. I. met zetel te Brussel overeenkwam.

 

 

 

 


Waar het hof de eerste rechter niet volgt, is wanneer hij stelt dat geïntimeerden niet afdoende aantonen dat zij bereid waren om België te verlaten voor een nieuwe dienstbetrekking. De eerste rechter kwam tot dit besluit door een passage in een schrijven van de toekomstige werkgever, nog voor eerste geïntimeerde ontslag nam bij zijn vorige werkgever, waarin werd bevestigd dat hij zijn werkzaamheden diende te verrichten in Brussel, hetgeen tevens overeenstemde met zijn noden (vrije vertaling van geïntimeerden van "also suit your needs"; zie pagina 14 van de eerste besluiten van geïntimeerden).

 

 

 

 


Terecht merken geïntimeerden ter zake op dat de eerste rechter desbetreffend geen enkel feitelijk element had dat hem kon toelaten te stellen dat indien de plaats van tewerkstelling niet in België was geweest, eerste geïntimeerde niet in dienst zou zijn getreden of zijn ontslag niet zou hebben gegeven. Overigens heeft de werkgever pas een jaar nadat het principe van tewerkstelling vaststond (hetgeen wordt bewezen door de intentieverklaring van de B. T. C. van 6 juli 1992 (zie bijlagen VII en VIII bij stuk 7 van geïntimeerden)) een vennootschap opgericht die toeliet om de afdeling in België op te starten.

 

 

 

 


Het hof treedt dan ook geïntimeerden bij, wanneer zij stellen dat de periode van 1 augustus 1992 tot 1 juli 1993 (gedurende dewelke eerste geïntimeerde geen enkel beroepsinkomen heeft genoten) als een overgangsperiode moet worden aanzien, tijdens dewelke eerste geïntimeerde als niet-rijksinwoner kan worden beschouwd. Hetzelfde geldt naar het oordeel van het hof voor de daarop volgende jaren.
Als men voormelde factoren in aanmerking neemt, moet inderdaad worden besloten dat de verlenging van het statuut van buitenlands kaderlid diende te worden toegekend.

 

 

 

 


Derhalve dienen de bestreden aanslagen in de P.B. te worden vernietigd, zonder dat het hof de overige middelen van geïntimeerden dient te onderzoeken.

 

 

 

 


OM DEZE REDENEN,

 

 

 

 


HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,

 

 

 

 


    Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

 

 

 

 


    Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond;

 

 

 

 


    Verleent geïntimeerden akte van het instellen van hun incidenteel hoger beroep;

 

 

 

 


    Verklaart dit ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond;

 

 

 

 


    Vernietigd het eerste vonnis en, opnieuw rechtdoende,

 

 

 

 


    Zegt voor recht dat de aanslagen in de P.B. betreffende de aanslagjaren 1994, 1995 en 1996, gekend onder respectievelijke kohierartikelnummers 768351539, 764555729 en 773682170 niet zijn verjaard;

 

 

 

 


    Vernietigd deze aanslagen en veroordeelt appellant tot de terugbetaling van de ten onrechte geïnde belastingen, vermeerderd met moratoriuminteresten;

 

 

 

 


    Veroordeelt appellant tot de kosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoge beroep op 495,97 EUR voor appellant en op 495,79 EUR voor geïntimeerde;

 

 

 

 


    Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10-10-2007

 

 

 

 


    alwaar aanwezig waren en zitting namen:

 

 

 

 


- J. V.,        alleenzetelend raadsheer,
- C. D.N.,   griffier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Décharge de responsabilité: aucun lecteur ne peut agir sur base des informations contenues sur ce site sans prendre l'avis d'un tiers professionnel.