Rol nr 2006/AR/1427

Arrest.

Advocaten:

Meester Henri VANDEBERGH - voor de appellante

Meester BLYWEERT, loco Meester Jan HOUTHUYS - voor de Belgische Staat

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 21 april 2006

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Appellante is als BTW-plichtige geregistreerd voor de activiteit van handel in tweedehandsvoertuigen.

Tijdens een BTW-controle betreffende de periode van 1 oktober 2004 tot eind januari 2005, werd vastgesteld dat twaalf facturen niet conform artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoerde waarde werden opgesteld.

De administratie verwierp voor deze facturen het recht op aftrek van de voorbelasting. Het ging om een bedrag van 85.102,98 EUR in totaal. Er werd een boete van 8.510,00 EUR opgelegd.

Ter invordering van deze BTW-schuld verrichte de administratie inhoudingen van BTW-tegoeden van appellante.

Appellante vorderde voor de eerste rechter de teruggave van de aldus ingehouden BTW-tegoeden, om reden dat de administratie ten onrechte de aftrek van de BTW verwierp.

Appellante vorderde aldus teruggave van het bedrag van (41.720,80+9.143,29=) 50.864,09 EUR, vermeerderd met de interesten sedert de datum van het verzoekschrift, en met de inhoudingen, die nog zouden gedaan zijn, en de interesten vanaf de inhouding.

De eerste rechter was van oordeel dat de administratie terecht de aftrek van de BTW verwierp, en veroordeelde appellante tot de kosten.

GRIEVEN

Volgens appellante nam de eerste rechter ten onrechte aanstoot aan de ontbrekende vermeldingen op de facturen, en stond hij ten onrechte de aftrek van de BTW niet toe.

Appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen.

Zij verhoogt haar vordering met de bedragen van de door geïntimeerde nog verrichte inhoudingen, en vordert aldus het totale bedrag van 71.449,19 EUR, meer de interesten vanaf de datum van het instellen van de vordering in eerste aanleg.

Op de zitting herleidde appellante haar vordering met het bedrag van 1.779,10 EUR.

Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, appellante van haar vorderingen af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten.

Hij vraagt verder te zeggen voor recht dat zijn vordering lastens appellante, zoals opgenomen in het proces-verbaal van 29 maart 2005, volledig rechtsgeldig werd gesteld, hem bijgevolg te machtigen om de sommen door appellante onrechtmatig als tegoed gecreëerd, en de reeds verrichte inhoudingen aan te wenden ter aanzuivering van deze vordering.

Hij vraagt tenslotte appellante te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.

BEOORDELING

1.
Volgens het proces-verbaal van vaststelling van 29 maart 2005 ontbraken de volgende door artikel 5, eerste paragraaf, 1°, 5°, 7° en 9° van het koninklijk besluit nr. 1 voorgeschreven vermeldingen:

het volgnummer waaronder de factuur staat ingeschreven in het boek van uitgaande facturen van de leverancier de datum van levering

het jaartal, de cilinderinhoud, de motorsterkte bij de levering van nieuwe of tweedehandse personenauto’s

de vermelding van het tarief van de verschuldigde belasting

Appellante betwist de onregelmatigheden niet, maar meent dat ze in concreto niet nuttig zijn voor de inning van de BTW en de controle daarvan, en derhalve zijn recht op aftrek niet in de weg kunnen staan.

2.
Bovenstaande argumentering van appellante gaat enkel op voor wat betreft de vermelding van het tarief van de verschuldigde belasting.

De litigieuze facturen vermelden het bedrag van de BTW. Het is derhalve niet echt nodig dat zij daarenboven het tarief van de BTW vermelden.

3.
De argumentering van appellante geldt daarentegen niet voor wat betreft het volgnummer waaronder de factuur staat ingeschreven in het boek van uitgaande facturen van de leverancier, en de datum van de levering.

Appellante behandelt verkeerdelijk deze twee ontbrekende factuurvermeldingen afzonderlijk.

Appellante betoogt aldus, in abstracto, dat, overeenkomstig artikel 17 W.BTW, de belasting verschuldigd is op het moment van levering, betaling of facturatie, dat de eerste van deze momenten telt, en dat de datum van de levering alleen relevant is, indien de levering vóór de factuurdatum gebeurt en inmiddels het BTW-tarief zou veranderd zijn.

Het is nochtans duidelijk dat samengenomen, deze twee ontbrekende vermeldingen de inning van de BTW en de controle daarop door de administratie onmogelijk maken. Een controle van de juistheid van de factuur en regelmatige inschrijving in de boekhouding van de leverancier, kan eveneens gebeuren op basis van de leveringsdatum op de factuur. In deze ontbreekt evenwel de leveringsdatum op de litigieuze facturen.

4.
Het is derhalve volledig terecht dat de administratie aan appellante het recht op aftrek van de BTW op de litigieuze facturen ontzegde.

Het hof onderzoekt dan ook niet verder de implicaties van de ontbrekende vermelding van het jaartal, de cilinderinhoud, de motorsterkte bij de levering van nieuwe of tweedehandse personenauto’s.

Het hoger beroep is ongegrond.

5.
Partijen verklaarden zich op de zitting akkoord omtrent het basisbedrag van 3.000,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding.

OM DEZE REDENEN,


HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep

Hof :

J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter, P. Vandermotten, raadsheer, C. Vanderkerken,

Décharge de responsabilité: aucun lecteur ne peut agir sur base des informations contenues sur ce site sans prendre l'avis d'un tiers professionnel.